
Ik ben Rami, 43 jaar, maar de meeste mensen noemen me Abo Salem: vader van Salem. Mijn leven is een reis geworden, niet uit vrije wil, maar uit noodzaak. Niet om rijkdom na te jagen, maar om mijn gezin een kans te geven op een beter leven.
Ik ben geboren in Egypte, in 1982, in het Egyptische deel van Rafah. Mijn vader werkte in Cairo voor een Amerikaans bouwbedrijf. Maar wij waren Palestijnse vluchtelingen.
Toen ik zeven was, keerden we terug naar Rafah Sinaï, naar het vluchtelingenkamp waar Palestijnen al generaties lang hoopten op terugkeer. Op mijn twaalfde gingen we terug naar Gaza, zoals de Camp David akkoorden voorschreven. We kwamen terecht in het Canada-kamp, waar mijn familiehuis stond — tot 8 juni 2024. Die dag werd het huis gebombardeerd. Met de grond gelijk gemaakt. Mijn vrouw, mijn zoon van twaalf, mijn dochter van tien, mijn ouders en de rest van mijn familie wonen nu in een tent. Alles is weg.
Gaza was ooit mooi. In mijn jeugd werkte ik in de zomer in de bouw, in tuinen. ’s Nachts gingen we naar Gaza City, spendeerden ons verdiende geld aan samen zijn. Er was muziek, lachen, vriendschap, toekomst, toerisme. Ik wilde computeringenieur worden, had plannen. Gaza voelde toen nog niet als een open gevangenis. Totdat Sharon, tijdens zijn verkiezingscampagne, onze heilige plek betrad: de Al-Aqsamoskee. In 2000 begon de tweede intifada. Daarna veranderde alles.
Ik trouwde in 2012 met Alaa die ik kende van de universiteit. Mijn zoon Salem werd geboren in 2013, dochter Rania in 2015. Ik werkte in Gaza voor internationale organisaties zoals UNDP, Care International en Oxfam. Mijn werk bracht me dicht bij de mensen – vooral de armen en kwetsbaren. Maar humanitair werk in Gaza is niet eenvoudig. Ik werd onder druk gezet door de autoriteiten. Ze wilden inzage en controle over projecten, lijsten van begunstigden, maar ik kon daar niet in meegaan. Mijn principes stonden voor transparantie en rechtvaardigheid.
Ik probeerde opnieuw te beginnen met een kleine kledingwinkel, maar de economische situatie was ondraaglijk. Belastingen, corruptie en een bevolking zonder koopkracht deden mijn droom ineenstorten.
Daarnaast was er ook Israël, de bezetter en de constante dreiging van geweld. Mijn generatie kent door de onafgebroken cyclus van oorlog, belegering en vernietiging geen vooruitzicht, geen werk, geen veiligheid… Zo is het onmogelijk om een toekomst op te bouwen voor je gezin.
Zes jaar geleden besloot ik te vertrekken voor hen. Ik ging eerst naar Turkije. Daar werkte ik als vertaler en docent. Ik spaarde en bereidde de komst van mijn gezin voor, maar toen kwam corona en verloor ik mijn job.
Onverwacht boden mijn Marokkaanse buren me een uitweg: ze vertrokken de volgende ochtend naar het ‘veilige’ Europa. Ik had vijf euro. Mijn Italiaanse vriend en zijn Turkse vrouw kwamen langs en lieten een enveloppe achter met driehonderd euro. Ik stuurde tweehonderd naar mijn vrouw. Met honderd begon ik aan de reis naar Europa.
Te voet ging ik via Griekenland , Albanië, Montenegro, Bosnië… We liepen ’s nachts en sliepen overdag. In Servië bleef ik steken zeven maanden lang. Ik probeerde, faalde en probeerde opnieuw. Elke maand hielp mijn Italiaanse vriend me voort.
Overal waar ik kwam, vond ik vrienden. Ik ben sociaal. Mijn moeder bad: “God, geef hem mensen met een goed hart.” Die gebeden droegen me.
Mijn eerste stap in België was in Brussel. Ik wilde me aanmelden, maar moest tien dagen op straat slapen in de regen. Dat was mijn onthaal. Daarna verbleef ik kort in Evere en dankzij een vriend van mijn broer kwam ik in Gent terecht. Het was het WK voetbal. In een Ethiopisch café mocht ik slapen. Met Tunesische vrienden keek ik naar matchen. Stap voor stap vond ik een thuis.
Nu hou ik van Gent. Van de mensen. Van de diversiteit. Ik doe veel vrijwilligerswerk en ik droom van een falafelzaak. Koken kalmeert mijn ziel. Dan vergeet ik, voor even, alles wat is achtergebleven.
Maar de laatste maanden ben ik nog nooit zo bang geweest. Wat er nu gebeurt… het is geen conflict. Het is een genocide.
Mijn grootste verlangen? Mijn vrouw en kinderen veilig in mijn armen sluiten. Met mijn dochter naar een pretpark gaan. Met mijn zoon een voetbalwedstrijd bijwonen. Met mijn vrouw onder de Eiffeltoren staan.
Ik wil mijn gezin terug, in ons nieuwe ‘thuis’. Al blijf ik dromen van het Gaza waar je kan zwemmen in zee, met vrienden en familie gaan BBQ’en op het strand, ’s avonds met de ganse buurt op straat zitten om te praten…